Leven met MPN

9. De zuster (en de broeder)

'Goedemorgen, ik ben zuster A.'. Het is mijn zesde dag in het ziekenhuis en nog steeds verschijnen er nieuwe gezichten in de kamer. Ik heb al lang opgegeven om de naam te onthouden; het zijn er te veel. Bovendien is leren moeilijk als er geen foto bij de naam is. Het gevolg is wel dat de zusters (en broeders) anoniem blijven en door iedereen aangesproken worden met 'zuster' (of 'broeder'). Het verplegend personeel is - zonder uitzondering - zorgzaam, betrokken en volhardend. Het zijn te prijzen eigenschappen op een afdeling waar de meeste patiënten toch in een meer of mindere mate in een desolate toestand verkeren.

Tot en met de vierde dag verbleef ik in kamer A 211 en kende slechts mijn kamergenoten; mevrouw K., die een infectie van het evenwichtsorgaan had, maar na twee dagen al weer naar huis mocht; meneer S., die een hersentumor had; mevrouw W., die er erg slecht aan toe was en mevrouw T., die een infarct had gehad en die een verlamde rechterhand en moeilijkheden met spreken had.

Op de vijfde dag was mijn mobiliteit zo ver toegenomen dat ik geheel zelfstandig op de gang kon lopen. Zodoende had ik ook zicht op de andere kamers bij de afdeling Neurologie. Zo zag ik de 'Stroke unit' waar ik de eerste twee dagen had gelegen. Hier kwam iedereen als eerste te liggen die een herseninfarct of hersenbloeding had gehad. Ik had er eigenlijk per ongeluk gelegen, omdat zich op die kamer het enige nog vrije bed op de afdeling Neurologie bevond. Maar eigenlijk was ik - ondanks de door mij gevoelde extreme ellende - daarvoor een te licht geval geweest. Ik kon nu via eigen waarneming zien dat de mensen op deze kamer er inderdaad slecht aan toe waren. En ook op de andere kamers waar de minder acute gevallen lagen, was het al niet veel beter. Nee, het was wel duidelijk: ik was op deze afdeling met mijn lichte herseninfarct een geval van niets. Ik mocht van geluk spreken; ik was langs de afgrond gescheerd.

De tweede dag was ik nog steeds in een erbarmelijke toestand. Sinds mijn binnenkomst had ik nog niets gegeten. Alleen de gedachte aan eten maakte mij kostmisselijk. 'Meneer Buijsman, u moet toch echt wat eten', had zuster B. mij op de avonds van de tweede dag gezegd. Zwakjes had ik geantwoord - vooral om er vanaf te zijn -: 'Ja, straks'. Zuster B. was het niet vergeten; een paar uur later drong ze opnieuw aan. Moeizaam was ik wat overeind gekomen en gaf toe: 'Laten we het maar proberen'. Zitten kon ik nog niet. Liggend werd ik met een lepeltje gevoerd; de zuster zei dat het 'versterkende yoghurt' was. Met veel moeite kon ik een derde van het toch al kleine bakje eten. Ik had echter niet op de volhardendheid van zuster B. gerekend. Een uur later stond ze weer aan het bed: 'Misschien wilt u het laatste beetje ook nog?' En zo at ik de rest op.

De volgende dag, half acht, kwam de ontbijtploeg langs. Zo waar kon ik de gedachte aan eten verdragen. Ik vroeg om een boterham, in stukjes, zoals voor kleine kinderen. Ik werd ook nu gevoerd, maar ik at. Het ging allemaal uitermate moeizaam, maar het bleek een begin te zijn. De dag erna at ik, verspreid over de dag, al weer een aantal lichtbruine boterhammen en wat yoghurt. Vervolgens kwamen de donkerbruine boterhammen, het werden er ook meer, het warme eten, eerst weinig, daarna meer. En alles kwam weer op gang en dat alles dankzij zuster B.

Het merendeel van het verplegend personeel bestond uit vrouwen; misschien heb ik er in al die dagen wel zo'n vijftien gezien. Broeders waren veruit in de minderheid; ik telde er slechts drie. Blijkbaar is het toch overwegend een vrouwenwereld. Na een aantal dagen was mijn observatievermogen weer enigszins op orde. Het viel mij toen op dat in de categorie die ik 'zusters' had genoemd, ook nog duidelijke verschillen bestonden. In kleding was men niet van elkaar te onderscheiden, maar ik kreeg toch echt de indruk dat de dames die met het ontbijt, de koffie en de thee kwamen, geen echte 'zusters' waren. Nee, er was een standsverschil; en dat gold ook voor de dames die (alleen) schoonmaakwerkzaamheden verrichtten. Maar ook deze waren allemaal vriendelijk.

Er was dus een grote hoeveelheid verplegend personeel in verschillende soorten; toch stond dit niet garant voor een vlekkeloze bedrijfsvoering. Vooral in de medicatie ging nog wel eens iets mis. En soms was het wel erg lang wachten als je iemand nodig had. Het was duidelijk dat er in zijn totaliteit wel veel mensen waren, maar er af en toe duidelijk sprake was van onderbezetting. 's Avonds en 's nachts was dat nog duidelijker. Dat is natuurlijk vervelend voor de patiënten, maar ook voor het verplegend personeel. Nog vervelender is het dan ook als er wel geld lijkt voor voorzieningen anders dan personeel voor de patiënten.

De patiënt die dit alles waarneemt, bevindt zich dan in een lastig parket. Hij kan immers niet beoordelen waardoor het personeelstekort wordt veroorzaakt. Is er te weinig geld? Wordt het geld aan andere zaken besteed? Of willen er te weinig mensen in de verpleging werken? De patiënt heeft daarop geen antwoord. Nee, de patiënt raakt alleen maar voortdurend in verwarring. Zo is er ook een afdeling Fysiotherapie. Ook hier behulpzame, vriendelijke en geduldige mensen, zoals de fysiotherapeut die mij ervan overtuigde dat ik toch echt moest proberen om met de hulp van een rollator proberen te gaan lopen. Een rollator?! Alleen het idee al! Maar de fysiotherapeut had gelijk. De rollater stelde mij in staat om op de vierde dag zonder hulp van de verpleging naar de WC te gaan. Een afstand van vijf meter heen en vijf meter terug, maar dat zijn prestaties waarom het opeens gaat. En de volgende dag had ik de rollator al niet meer nodig.

Een andere fysiotherapeut kwam om mij te onderwerpen aan de 'trappentest'. Ik moest de trappentest halen anders zou ik - ondanks het advies van de artsen - het ziekenhuis niet mogen verlaten. Ik slaagde glansrijk voor de trappentest; de trap in het ziekenhuis een verdieping omhoog en weer omlaag, zonder aarzeling of wankelmoedigheid. En zo heb ik nog twee andere fysiotherapeuten gezien. En logopedistes en praktijkondersteuners neurologie. En allemaal hadden ze tijd, ruim tijd. Daar is dan blijkbaar allemaal geen tekort aan, maar evengoed is het verwarrend.

Rollator

Zo'n ding dus, maar dan zonder mandje.

[juli 2011]

MF-logo