Leven met MPN

5. De fabriek

Het moet een nacht ergens in 1957 zijn geweest. Ik lag in het ziekenhuis, het was donker, mijn keel brandde. Die avond waren mijn amandelen geknipt. Zo lang is het geleden dat ik in een ziekenhuis had gelegen. Woensdag 1 juni en zaterdag 4 juni 2011, meer dan 50 jaar later, lag ik opnieuw in een ziekenhuis. Ongetwijfeld is het ziekenhuis van nu onvergelijkbaar met het ziekenhuis van vroeger, hoewel ik me van die eerste keer weinig kan herinneren, behalve dat aan de nacht geen eind leek te komen.

De eerste nacht van mijn hernieuwde ziekenhuisopname leek echter wel erg op die van lang geleden. Beroerd als ik was, leek aan de nacht geen eind te komen. En toen het ziekenhuisleven 's morgens weer op gang kwam, was het ook weer niet goed. Al om half zes was het eerste bedrijf: de verplichte bloeddruk- en temperatuurmeting, om zes uur gevolgd door de eerste ronde met de medicijnenkar. Dan weer even rust en dan om half acht ontbijt (op bed! dat wel) en om acht uur de tweede ronde van de medicijnenkar. En zo gaat het de dag door met, naar ik al snel zou leren, gebeurtenissen op vaste tijden: drinken, lunch, avondeten, controles van bloeddruk en temperatuur. Het enige dat zich onttrekt aan deze regelmaat is het bezoek van de specialist met zijn vervolg; daar is geen pijl op te trekken.

Ook stelde ik na een aantal dagen nog een ander fenomeen vast: het ogenschijnlijk oneindige arsenaal aan verplegend personeel. Zelfs op de zevende (en laatste) dag van mijn verblijf in het ziekenhuis zag ik voor mij nieuwe zusters verschijnen. De eerste dagen had ik nog moeite gedaan om de namen te onthouden. Na drie dagen gaf ik dat op, moe geworden van die almaar nieuwe gezichten. Wel hadden ze allemaal een opmerkelijke overeenkomst: ze waren allemaal betrokken en vriendelijk. Er was er slechts een die zich van het verfoeilijke 'Hebben we al een plasje gedaan?' jargon bediende.

De zoektocht naar de oorzaak van mijn ziekte voerde mij langs apparatuur voor een CT-scan, een MRI-scan en voor onderzoek van de halsslagaders. Soms moest ik enige tijd wachten. Ik constateerde daarbij dat het hier om een volcontinu bedrijf gaat. De ene patiënt is nog niet klaar of de volgende wordt al binnen gereden. Bij de CT-scan kon ik me bovendien niet aan de indruk onttrekken dat er sprake was van een aantal apparaten. Anders was de doorloop volstrekt onverklaarbaar. Ik kon over dit alles rustig nadenken, toen ik in de gang - gezeten in een rolstoel - zat te wachten op mijn (tweede) CT-scan. Ik vroeg me af: hoe ging dat dan vroeger? Toen dergelijke apparatuur niet bestond? Het kan niet anders of een deel van de diagnostische handelingen is aanbod gestuurd. Eigenlijk net zoals snelwegen, waarvan politici keer op keer onnozel vaststellen dat de recent gerealiseerde uitbreidingen na enige - meestal korte - tijd weer onvoldoende blijken te zijn. Kortom: aanbod creëert de vraag. Toch zal iedereen, en zeker de patiënt, met de hand op het hart verklaren dat het toch maar mooi is dat al die technieken er zijn. Ik ook, want de MRI-scan onthulde immers de oorzaak van het probleem in mijn hoofd. En de arts? Die zal het niet durven om zijn patiënt de technieken die het ziekenhuis in huis heeft, te onthouden. Woorden als effiency verliezen in een dergelijke context daarom elke betekenis.

Vanaf de eerste dag dat ik het ziekenhuis lag, kreeg ik een warme maaltijd voorgeschoteld. De eerste dagen was het woord eten alleen al genoeg om mij misselijk te maken. Niettemin kwam elke dag opnieuw een warme maaltijd langs. Op de vierde dag was ik zo ver dat ik me met het systeem van het warme eten kon bemoeien. Elke ochtend werd bij de koffie een formulier uitgereikt. Dit formulier, ter grootte van een A4-tje, bleek een soort keuzemenu te bevatten. Het voorgedrukte formulier, compleet met naam, nummer en ligplaats van de patiënt, was een soort menukaart. De patiënt kon kiezen uit een zogeheten combinatiegerecht (soms zelfs twee) wat stond voor een complete maaltijd. Het was echter ook mogelijk om zelf een maaltijd samen te stellen uit groente, vlees, aardappelen of rijst en diverse bijlagen aangevuld met toetjes of fruit. Ik was verrast door de keuzemogelijkheden.

De verrassing werd nog groter toen de maaltijden werden afgeleverd om gegeten te worden. Dit was prima kwaliteit, smakelijk bereid en ook nog eens aantrekkelijk gepresenteerd. De uitdrukking 'een ziekenhuis lijkt tegenwoordig op een hotel', die ik onlangs in de krant las, kon ik onderschrijven. Wat een keus en wat een kwaliteit! Iemand legde mij uit dat dit een gevolg van de marktwerking is. Ziekenhuizen concurreren (ook) op secundaire voorzieningen. Inderdaad, toen ik na zeven dagen het ziekenhuis moest verlaten en mijn vrouw mij in een rolstoel voortduwde, kwam ik in de passage naar de parkeergarage, door een soort winkelstraat. Een restaurant (en niet zo klein ook), een internethoek, diverse kledingzaken en ja ook nog het soort zaak dat je vroeger als enige aantrof in een ziekenhuis, namelijk de winkel met kranten, tijdschriften en bloemen. Dit zag er allemaal niet erg uit als een ziekenhuis.

Ik ervoer dit contrast nog erger door een voorval dat zich op de vijfde dag had voorgedaan. Op die dag kwamen twee mannen de kamer in; zij hadden een verrijdbaar kastje met daarop een scherm bij zich. Doelbewust kwamen ze naar mijn bed: 'U krijgt een televisie'. Ik reageerde verbaasd: 'Ik heb nergens om gevraagd. Bovendien kijk ik geen televisie'. Het antwoord was nogal verrassend: 'Dat maakt niet uit! Het is een proef; misschien wilt u er eens naar kijken.' Ik had al eerder begrepen dat de neurologieafdeling een oude afdeling was, die op het punt stond om gerenoveerd te worden. Er waren wel televisies bij de bedden maar die hingen aan het plafond. Een statische opstelling met een afstandbediening, waarvan bovendien na tien uur 's avonds als het licht was uitgegaan, iedereen last had als de televisie nog werd gebruikt. De nieuwe televisie bij mijn bed was van het touchscreentype met 15 televisie -en 20 radiozenders. Ook kon er een koptelefoon op worden aangesloten (niet meegeleverd). Ja, een hotel, daar leek het wel op. Waarom de heren overigens mij hadden uitgekozen, zal in een ander stukje nog wel een keer duidelijk worden.

Regelmatig hoorde ik dat het ziekenhuis alles in het werk stelt om het verblijf van de patiënten zo aangenaam mogelijk te maken. Daarbij hoort het uitgebreide aanbod aan voorzieningen. Daarnaast wordt beargumenteerd dat het welzijn van de patiënt bijdraagt aan zijn herstel. Toch zullen weinig patiënten zich realiseren dat de voorzieningen niet uit menslievendheid zijn bedacht. Het kost allemaal geld en dat zal de patiënt uiteindelijk toch zelf moeten betalen. Het ultieme contrast ontstond echter toen ik de verpleging hoorde klagen, onder andere over mijn nieuwe televisievoorziening, want op de afdeling was geen geld voor de aanschaf van fatsoenlijke rolstoelen. Het gaf allemaal veel te denken.

Een oude beginpagina van de website van het Sint Antoniusziekenhuis.

[juli 2011]

MF-logo