Leven met MPN

4. De specialist

De openingszin van de specialist, in mijn geval een neuroloog, is nogal banaal: 'Hoe gaat het vandaag met u?' Hij is met de zaalarts en een gevolg van vier coassistenten bij mijn bed gearriveerd. Het is maandag, eind van de ochtend. Het is de eerste keer dat ik de specialist ontmoet. Zaterdag ben ik, horizontaal, het ziekenhuis binnengereden. Allerlei mensen gezien, maar de specialist begint pas op maandag.

Na mijn antwoorden op zijn vragen ontspint zich een discussie tussen de specialist en de zaalarts. Het is duidelijk dat mijn aanwezigheid niet verder noodzakelijk is. Het gesprek gaat over de diagnose van afgelopen zaterdag: een virusinfectie van het evenwichtsorgaan. Ik heb symptomen die daar niet bij passen. Medici gebruiken dan het fraaie woord atypisch. Symptomen die niet kunnen worden geduid of waarvan ze sowieso niets begrijpen, noemen ze atypisch. Het is een soort bezweringsformule die ik al vaker heb gehoord en ertoe leidt dat iets vanzelf moet overgaan of als een uitnodiging kan worden opgevat om het eens bij een ander loket te proberen.

Ook de specialist spreekt van 'atypisch'. Hij begint daarop echter te mopperen tegen de zaalarts. Hij is van mening dat er zaterdag meteen een MRI-scan gemaakt had moeten worden. Nu was volstaan met een CT-scan en daarop zag mijn hoofd er goed uit, maar op een MRI-scan is meer te zien. En zo geschiede. Op dinsdagmiddag om drie uur dan alsnog een MRI-scan. Tot mijn verrassing kwam om vijf uur al de zaalarts langs. Het gesprek begon ontspannen dus vol vertrouwen zag ik de uitkomst tegemoet: we hebben niets kunnen vinden. Helaas, niet iedereen heeft geleerd hoe je slechtnieuswgesprekken moet voeren. Na de ontspannen inleiding volgde de mededeling: we hebben iets op de scan gevonden. De MRI-scan had een herseninfarct aan het licht gebracht. Dat was dus even schrikken, maar in ieder geval was er nu duidelijkheid.

Het gedrag van de specialist was achteraf gezien zeer te prijzen. Hij vond de oorspronkelijke hypothese niet overtuigend door de 'atypische' symptomen en aarzelde vervolgens niet om een alternatieve hypothese op te stellen en in die richting nader onderzoek te doen.

Verder blijft de specialist een schimmig figuur. Bij de ronde langs de bedden van de neurologieafdeling is de specialist er meestal, maar dus niet altijd, bij. De directe contacten met de patiënten gaan veelal via de zaalarts en - nog verder afgeleid - via de verpleging. De patiënt krijgt uiteindelijk ook niet eens altijd alles te horen en wordt regelmatig als laatste van nieuwe consequenties van zijn toestand op de hoogte gesteld. Het zijn onthechtende ervaringen.

Specialist met gevolg aan het bed

Specialist met gevolg aan het bed. Dit beeld weerspiegelt niet mijn situatie en behandelende artsen.

[juli 2011]

MF-logo