A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Stad 1. In historisch perspectief veelal een plaats die een eigen bestuurs- en rechstkring vormt, gewoonlijk ommuurd. 2. Tegenwoordig meer in de zin van samenhangende bebouwing over een groot oppervlak. 3. In engere zin vaak gebruikt als aanduiding voor het centrum van een stad. Zo kan een bewoner van een buitenwijk van een stad zeggen: 'Ik ga naar de stad.'
Een stad was vroeger iets dat duidelijk omschreven was en daarom ook gemakkelijk als zodanig herkenbaar. Het was een fysisch geheel, onmiskenbaar in het landschap. De toename van de wereldbevolking heeft er mede toe geleid dat steeds meren mensen ins steden zijn komen te wonen. Bovendien zijn steden naar elkaar toegegroeid en krijgen we steeds meer te maken met stedelijke agglomeraties. Kortom: samenklonterende steden leiden tot grote urbane gebieden. In het jaar 100 was Rome de grootste stad met 450.000 inwoners, in 1900 Londen met 6,5 miljoen en nu de agglomeratie Tokio met 34 miljoen inwoners.
Mooie steden, dat wil zeggen steden die het bezoeken waard zijn, zijn er niet veel. We noemen Lissabon, Praag (alhoewel sterk in waarde achteruitgegaan na de val van het communisme) en Tallinn. Een aparte vermelding verdient Casablanca, maar dat is meer vanwege de gelijknamige film. Het gaat niet om de grootte, de ligging of het inwoneraantal; het gaat om de sfeer. Verder zijn steden alleen van nut voor de opeenhoping van nuttige voorzieningen.


Links Lissabon. Foto © Léon van den Broek
Rechts Praag in de jaren zeventig. Foto © Ed Buijsman

Tallinn. Foto © Rolf Bos

