De steden en straten in het Nederlandse Monopoly
De volgende vraag is: waarom zijn in het Nederlandse Monopoly in de steden nu juist deze straten gekozen? Welke overwegingen hebben hierbij een rol gespeeld? Ook hier blijken er de nodige raadsels te zijn. Er is veel over gespeculeerd, maar nergens is een volledig sluitende argumentatie te vinden, zodat het ook in dit opzicht deels giswerk blijft.
Journalist Arjan Terpstra en fotograaf Patrick Post kwamen in 2006 met een serie in de NRC. Ze bezochten elke dag één straat van het Monopoly-bord, op zoek naar de antwoorden op twee vragen: waarom staat de straat op het bord, en is de straat nog altijd de moeite waard? Het was een leerzame tocht waaruit eens te meer bleek dat de keuze van de straten in het algemeen een vrij willekeurige indruk maakt. Bovendien zijn de straten van nu niet meer de straten van toen. Vooral ooit chique winkelstraten zijn vaak in alles op elkaar lijkende winkelstraten geworden. Moeiteloos tussen steden uitwisselbare Blokkerstraten, zoals de Steenstraat en de Ketelstraat in Arnhem, de Heerestraat in Groningen, de Leidschestraat in Amsterdam, en naar onze mening, eigenlijk ook de Amsterdamse Kalverstraat.
Maar er is enig licht in de duisternis. R.F.J. van Linden geeft op zijn website (
Monopoly op Historisch Overzicht Nederlandse Gezelschapspelen) een aannemlijke verklaring voor een aantal straten. Het gaat hier om straten waar filialen waren gevestigd van het bedrijf dat rond 1940 de licentie had om het spel op de Nederlandse martkt te brengen.
Maar eigenlijk valt er sowieso niet veel vreugde in de Monopoly-straten te beleven. De Neude in Utrecht is een onbestemd plein en hetzelfde geldt voor het Vredenburg (en niet Vreeburg, zoals op het bord). En op het Spui in Den Haag is het ook al mis. Kortom: droefenis alom. We kunnen het beter allemaal maar niet weten en gewoon gezellig Monopoly spelen.

