De doctorandussenplaag/de inhoud
In hoofdstuk 2 van De doctorandussenplaag, 'De ontevredenheidsindustrie', introduceert Delecluze de 'Kritisch-Emancipatorische Klasse' - 'Er kan geen student in Zuid-Amerika uit het raam vallen of er wordt een geweldig ritueel rouwbeklag in alle elf provincies opgezet' - , de 'Kritische Wetenschap', de dialectiek en uiteraard de kritische studenten en docenten, zijnde de exponenten van dit tijdvak. Laatstgenoemden introduceerden de 'oppositionele beroepspraktijk', die zo schrijft Delecluze 'een eind maakte aan het oervervelende gedoe van de waardevrije burgerlijke wetenschap. De nieuwe pijprokende zwaar behaarde intellectuele winkelier houdt zich met dit soort flauwekul niet meer bezig'.
Onze auteur - een academicus, maar daarover straks meer - beschrijft uit eigen ervaring zijn kontakten op de universiteit. Dit leidt niet zelden tot komische observaties: 'Op een mooie septemberdag, kort nadat de eerste werkende Jongeren op de universiteit van Amsterdam waren aangekomen, raakte ik toevallig in discussie met een groepje in versleten tapijten geklede meisjes. Ik ging knock-out! Ze snoerden me gewoon de mond door Het Bewijs te vragen! Dat had ik natuurlijk niet, niet op zak en ook niet in mijn tas of jas, want de waardevrije wetenschap kent Het Bewijs niet: wel argumenten, maar Het Bewijs, nee. Nee, echt niet. Maar die Werkende Jongeren hadden het. Op zak. Ze droegen het bij zich. Het bleek, dat Het Bewijs gewoon een stencil was! En daar hadden ze enorme voorraden van, terwijl de waardevrije wetenschap helemaal geen stencils kent.'
En zo gaat het wel even door met de beschrijVing van de verloedering van de universiteiten: het selectiesysteem, de democratisering, het projectonderwijs, het multidisciplinaire onderzoek, niets ontsnapt aan de gesel van de gemaltraiteerde academicus die zijn vertrouwde en gewaardeerde wereldbeeld ziet instorten.
En zo gaat het door met hoofdstuk 3, 'De macht van de kritische-emancipatoire klasse' en het slothoofdstuk 'Fascisme en Inter-nationaalsocialsime'. Delecluze voert ons nog langs beroepsvergaderaars, partijbonzen, partijcongressen, de onvermijdelijke pijp en baard, de relatie met het fascisme. Voortdurend worden ook vergelijkingen met socialistische heilstaten gemaakt, een systeem waar we volgens Delecluze naar op weg zijn. Het boek eindigt even abrupt als het begonnen is. Een plotselinge stilte na een laatste uitbarsting: 'Een goede dertig jaar na Hitlers dood voelt men zich weer aan alle kanten omringd door mensen met de ideeën van politieke delinquenten. Het was geloof ik Presser die voorspeld heeft: de nieuwe fascisten zullen zich antifascisten noemen. Het is nu zover.'
Al met al is het als tijdsbeeld zeer geslaagd te noemen, al zal het voor iemand die die tijd niet heeft meegemaakt moeilijk zijn om zich de verhitte discussies van toen voor te stellen.