Wipneus en Pim vinden een tuitkannetje
B. G. van Wijckmade, 1976, 80 pagina's, illustraties Herman Ramaekers,
alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.
Dit is het laatse boekje dat door Herman Ramaekers is geïllusteerd.
Wipneus
en Pim zijn aan het werk in het bos, als ze een merkwaardig kannetje vinden.
Wat is het voor iets? Waar is het voor? Ze vragen het aan professor Alfabet.
Het blijkt een tuitkannetje te zijn uit het land van de Tuitertjes. Ze praten
er ook over met koning Goedhart. Iedereen is het over eens dat het gevonden
tuitkannetje teruggebracht moet worden. Gelukkig heeft de koning een kaart
waarop staat waar Tuitertjesland ligt. Wipneus en Pim gaan op de tandem
richting Tuitertjesland. Ze overnachten in een oud hutje op de hei. 's Nachts
probeert een zwerver hun fiets te stelen, maar het lukt de slimme Wipneus
en Pim om de dief te vangen. De dief heet IJdeltuit en komt uit Tuitertjesland!
Hij is het land ontvlucht, omdat de koning en koningin zo stern zijn. Bovendien
heeft hij het tuitkannetje van de koningin gestolen en nu durft IJdeltuit
niet meer terug. Dat kan allemaal wel waar zijn, maar Wipneus en Pimn vinden
wel dat IJdeltuit straf heeft verdiend. Daarom brengen ze hem naar koning
Sjarbon van de kolenmannetjes, zodat Ijdeltuit een gepast straf kan krijgen.
Wipneus en Pim gaan daarna verder het het land vcan de Tuitertjes. Ze merken
al gauw dat het er daar allemaal inderdaad streng aan toegaat. De koningin
is natuurlijk blij dat ze haar kannetje terugkrijgt. En Wipneus en Pim zijn
blij als ze weer in hun eigen land terug zijn. Ze vertellen natuurlijk weer
in geuren en kleuren over hun geweldige avontuur.

Links Pim geeft zijn vondst aan Wipneus.
Rechts Nog groter wordt de snelheid.
Links ... nu zal de beslissing vallen.
Rechts 'Maar dat is van mij!' roept koningin Tuitekruid uit.
